Wat zijn de eisen vanuit de sportbonden?

Elke sport heeft zijn eigen normen wat betreft de verlichting. Het verschil tussen de sporten heeft onder andere te maken met verschillende factoren. Zo wordt er bij de bepaling van de normen gekeken naar de snelheid van het spel en de bal, maar ook naar het gevaar dat de sport met zich meebrengt en de verhoogde kans op blessures bij verminderd licht.

Als voorbeeld nemen we het verschil tussen voetbal en hockey. Op een trainingsavond moet bij hockey een lichtsterkte worden aanhouden van 200 lux terwijl dit bij voetbal maar 75 lux is. De reden dat dit bij hockey hoger is, is omdat de bal veel kleiner en sneller is dan een voetbal. Daarbij speelt ook mee dat het gevaar van een hockeybal veel groter is dan een voetbal wanneer deze in aanraking komt met een speler. In het algemeen zijn er bij sportvelden drie verlichtingscategorieën, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen:

Trainingen

Clubwedstrijden (amateurs)

Topsport wedstrijden

De norm geeft ook aan hoe gelijkmatig de verlichting op het veld moet zijn. De gelijkmatigheid van de verlichting is een maat voor de verdeling van het licht over het veld en moet vooral hoog zijn in de tennis- en hockeysport. Voor de verlichting van tennisbanen wordt aanbevolen om deze gelijkmatigheid alleen binnen de speelveldbelijning toe te passen. Voor de verlichting van tennisbanen beveelt de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSvV) aan om deze gelijkmatigheid alleen binnen de speelveldbelijning toe te passen. Op het gehele speelveld kan een gelijkmatigheid van minimaal Eh,min/Eh,gem = 0,4 worden gehanteerd.